Checklist werken met uitzendbureaus

Werkgevers maken steeds meer gebruik van uitzendkrachten. Maar hoe weet u nu of u zaken doet met een bonafide uitzendbureau dat alle regels naleeft? De Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft bij een controle van 500 uitzendbureaus 131 boetes uitgedeeld voor bij elkaar ruim 1,3 mln euro. De meeste overtredingen zijn onderbetaling van de uitzendkrachten. Bedrijven die arbeidskrachten bij malafide uitzenders inhuren, kunnen zo op oneerlijke wijze goedkoper produceren en concurreren. De top zes branches waar misstanden worden aangetroffen zijn land- en tuinbouw, metaal en industrie, horeca, detailhandel, bouw en schoonmaak. Ook de bedrijven die uitzendkrachten inhuren lopen risico’s als zij gebruik maken van een malafide uitzendbureau. Wanneer het uitzendbureau te weinig aan de uitzendkrachten betaalt die voor u werken, dan kunnen die uitzendkrachten u aansprakelijk stellen. En zetten uitzendbureaus buitenlandse uitzendkrachten in zonder werkvergunning? Dan kunt ook u daarvoor een boete krijgen. Dit heet ‘ketenaansprakelijkheid’. Om de inleners te helpen met het kiezen van een goed uitzendbureau, heeft de Inspectie SZW een checklist gemaakt voor het werken met uitzendkrachten.

Kijk hier om de checklist uitzendbureaus te downloaden of ga naar www.inspectie-checklist.nl/uitzendbureaus voor meer informatie en om de check online uit te voeren.

(Bron: Inspectie SZW en Belastingdienst)

Vanaf 1 juli 2017 maximale betaaltermijn van 60 dagen

Oorsprong 30 dagen betaaltermijn
De algemene regel dat een factuur binnen 30 dagen moet worden betaald komt voort uit de ‘Europese Richtlijn late betalingen’ die sinds 16 maart 2013 in Nederland geldt. Op grond van deze richtlijn moeten de overheid, bedrijven en non-profit organisaties hun rekeningen binnen 30 dagen betalen. Deze Richtlijn biedt bedrijven echter de mogelijkheid om een langere betaaltermijn dan 30 dagen af te spreken. Er kan een betaaltermijn van 60 dagen worden afgesproken of onder bepaalde voorwaarden zelfs langer dan 60 dagen.

Een betaaltermijn langer dan 60 dagen is nu alleen mogelijk indien dit uitdrukkelijk is overeengekomen in de overeenkomst én de langere betaaltermijn niet ‘kennelijk onbillijk’ is voor de schuldeiser/leverancier. Maar wanneer is een betaaltermijn kennelijk onbillijk? Hoewel de wet aanknopingspunten geeft om dit te bepalen, blijft het subjectief. Er moet bijvoorbeeld gekeken worden of de schuldenaar/afnemer objectieve redenen heeft om af te wijken van de 60 dagen termijn, wat de aard van de prestatie is en of er sprake is van een aanmerkelijke afwijking van de goede handelspraktijken.

Als deze regels al bekend zijn, dan leveren ze in de praktijk vaak een probleem op om te bepalen of je nu wel of niet een langere betaaltermijn mag overeenkomen. In de praktijk komt het geregeld voor dat grote ondernemingen met hun machtspositie tegenover MKB-leveranciers een langere betaaltermijn hanteren (soms tot 90 of 120 dagen). Als de schuldeisers van de MKB-onderneming dan vasthouden aan betaaltermijn van 30 dagen, komt hij financieel in de knel.

Wetswijziging per 1 juli 2017
Per 1 juli 2017 krijgt het MKB meer bescherming tegen de langere betaaltermijnen. Het doel van deze wetswijziging is om te voorkomen dat grote bedrijven een betaaltermijn langer dan 60 dagen hanteren als zij goederen en/of diensten van MKB-leveranciers en zelfstandig ondernemers afnemen.

Na deze wetswijziging mag tussen een grote onderneming en een MKB-leverancier/-dienstverlener, geen langere betaaltermijn dan 60 dagen overeengekomen worden. Indien een grote onderneming toch een betaaltermijn langer dan 60 dagen hanteert, dan is die nietig (d.w.z. ‘niet geldig’) en wordt de betaaltermijn automatisch omgezet in een betaaltermijn van 30 dagen. Vanaf dat moment gaat ook de wettelijke handelsrente lopen. Die is op dit moment 8%.

Indeling ondernemingen
Wanneer is er sprake van een grote onderneming en wanneer van een MKB-onderneming?

Micro

Waarde van de activa volgens de balans < € 350 K
Hoogte van de netto-omzet in een boekjaar < € 700 K
Gemiddeld aantal werknemers in een boekjaar < 10

Klein

Waarde van de activa volgens de balans < € 6 mln
Hoogte van de netto-omzet in een boekjaar < € 12 mln
Gemiddeld aantal werknemers in een boekjaar < 50

Middelgroot

Waarde van de activa volgens de balans < € 20 mln
Hoogte van de netto-omzet in een boekjaar < € 40 mln
Gemiddeld aantal werknemers in een boekjaar < 250

Groot
Waarde van de activa volgens de balans > 20 mln
Hoogte van de netto-omzet in een boekjaar > € 40 mln
Gemiddeld aantal werknemers in een boekjaar > 250

Een onderneming valt in één van deze categorieën indien hij gedurende twee aaneengesloten boekjaren voldoet aan tenminste twee van de drie criteria van die categorie. MKB valt altijd in micro, klein of middelgroot.

Compliance en MVO
Vanwege de rente die zij moeten vergoeden wegens overschrijding van de betaaltermijn zal een grote onderneming niet snel wakker liggen. Maar wel van het feit dat zij met een te langere betaaltermijn in strijd met de wet handelen. Grote bedrijven mogen namelijk op basis van hun compliance regels of MVO-beleid niet in strijd met de wet handelen. Dit kan bovendien slechte publiciteit veroorzaken.

Overgangsrecht
De maximale betaaltermijn van 60 dagen gaat per direct in op 1 juli 2017. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van 1 jaar. Dus ook al loopt een overeenkomst met een betaaltermijn van 90 dagen nog tot 31 december 2020, dan wijzigt die betaaltermijn per 1 juli 2018 naar 60 dagen.

MKB-onderling
De oorzaak van het ongewenst opleggen van betaaltermijnen langer dan 60 dagen ligt in de ongelijke handelsverhoudingen waarbij het MKB als leverancier de zwakkere partij is. Bij handelsverhoudingen die (redelijk) gelijk liggen, bijv. tussen grote ondernemingen onderling of MKB-bedrijven onderling, komt het niet snel voor dat betaaltermijnen langer dan 60 dagen door één partij kunnen worden opgelegd. De onderhandelingspositie van de leverancier is in zulke gevallen sterk genoeg om dit te kunnen voorkomen. Bij handelsrelaties waarin de leverancier een sterkere rol vervult dan de afnemer is de kans nog kleiner dat betaaltermijnen langer dan 60 dagen kunnen worden opgelegd. Om onnodige wet- en regelgeving te voorkomen, heeft de regering ervoor gekozen om de nieuwe regelgeving niet te laten gelden in situaties waar wetgeving niet noodzakelijk is. De nieuwe regelgeving geldt dus alleen bij handelsrelaties tussen het grootbedrijf in de rol als afnemer en het MKB in de rol als leverancier of dienstverlener. Tussen MKB-bedrijven onderling blijven de oude regels van kracht. Dit betekent in beginsel een betaaltermijn van 30 dagen, indien beide partijen instemmen mag dit 60 dagen zijn en als voldaan is aan de wettelijke voorwaarden mag een betaaltermijn langer dan 60 dagen overeengekomen worden.

Conclusie
De regeling vanaf 1 juli 2017 geldt tussen een grote onderneming in de rol van schuldenaar/afnemer enerzijds en een MKB-onderneming of zelfstandig ondernemer in de rol van schuldeiser/leverancier anderzijds. Grote bedrijven onderling en MKB onderling mogen dus nog steeds een langere betaaltermijn dan 60 dagen afspreken, mits aan de wettelijke voorwaarden voldaan wordt. Maar wat nu als een grote onderneming tegenover een MKB- leverancier toch een langere betaaltermijn dan 60 dagen wil afdwingen? Juridisch is dit vanaf 1 juli a.s. niet meer mogelijk. In deze relatie valt een langere betaaltermijn vanaf die datum van rechtswege (d.w.z. ‘automatisch’) terug naar 60 dagen. Hoewel de wet in dit geval de MKB- leverancier meerdere juridische handvatten geeft om tijdige (rente)betaling af te dwingen, is de praktijk vaak weerbarstig en is het denkbaar dat een leverancier hier vanwege zijn afhankelijkheidspositie terughoudend in is.

 

Digitale calculator berekent premiekortingen voor werkgever

Op 15 mei 2017 heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met de Belastingdienst en UWV een digitale calculator voor werkgevers gelanceerd die arbeidsbeperkte werknemers of mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in dienst willen nemen. Met de calculator kunnen werkgevers in een paar eenvoudige stappen de hoogte van de financiële tegemoetkomingen per werknemer berekenen.

Werkgevers die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen of houden hebben recht op financiële ondersteuning: premiekortingen, lage-inkomensvoordeel (LIV) en loonkostensubsidie, die kan oplopen tot maximaal € 19.000 structureel per jaar.

In 2016 lanceerde staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) de regelhulp premiekortingen en LIV. Hiermee kunnen werkgevers bepalen of ze recht hebben op premiekortingen. Met de op 15 mei 2017 gelanceerde calculator kunnen werkgevers nu ook eenvoudig zelf de hoogte van de financiële tegemoetkomingen per werknemer berekenen.

De calculator is te vinden op https://regelhulpenvoorbedrijven.nl/premiekortingencalculator

De regelhulp is te vinden op https://regelhulpenvoorbedrijven.nl/premiekortingen

(bron: www.rijksoverheid.nl)

Wel of geen zelfstandig ondernemer

Door de afschaffing van de VAR en de introductie van modelcontracten is er de laatste tijd veel te doen over zzp’ers. In een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17-1-2017 valt goed te lezen op welke gronden de rechter beoordeelt of een zzp’er al dan niet valt aan te merken als zelfstandig ondernemer, dan wel als werknemer.

Het ging om een piloot van passagiersvliegtuigen met een bemiddelingsovereenkomst met een vliegtuigenmaatschappij. In de overeenkomst zijn o.a. de volgende zaken vastgelegd:

  • piloot is geen werknemer of vertegenwoordiger van de opdrachtgever;
  • opdrachtgever zal zonder verplichting in redelijkheid trachten werk te vinden of aan te bieden aan piloot;
  • piloot is zelfstandig verantwoordelijk voor het afdragen van belastingen, sociale premies en andere bijdragen van overheidswege;
  • piloot moet de opdrachtgever garanderen dat hij zich conformeert aan alle wetten, regelgevingen en andere verplichtingen die door (lokale) overheden worden opgelegd;
  • wanneer de opdrachtgever door een (lokale) overheid wordt aangesproken op voldoening hiervan, wordt dit op betalingen aan de piloot in mindering gebracht;
  • piloot moet garanderen dat hij zich bindt aan de internationale luchtvaartregels en opereert binnen de handleidingen en instructies van de opdrachtgever;
  • er vinden geen beoordelings- of functioneringsgesprekken plaats;
  • piloot mag zich onder specifieke omstandigheden tot vier weken voor de vlucht laten vervangen;
  • kosten van vertragingen, aan- en afreizen van de vlucht en overnachtingen worden niet vergoed;
  • cursussen, vluchtsimulaties, kleding en certificeringen dient piloot zelf te betalen;
  • de opdrachtgever verplicht zich tegenover piloot dat er te allen tijde voldoende dekking is voor beroepsaansprakelijkheid.

De rechtbank stelt voorop dat het aan piloot is om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat sprake is van een door hem gedreven onderneming. Piloot voert hiertoe het volgende aan:

  • hij is beoefenaar van een zelfstandig beroep;
  • in de overeenkomst met is contractueel uitgesloten dat sprake is van een arbeidsovereenkomst;
  • hij wordt in die overeenkomst aangeduid als ‘self employed / sole trader’;
  • hij bepaalt zelf of hij een aanbod accepteert;
  • hij is niet verplicht de opdracht zelf uit te voeren;
  • hij heeft als gezagvoerder het algehele bevel over het vliegtuig en de personen aan boord;
  • als hij besluit niet op te stijgen, ook als de reden daarvoor niet aan hem is toe te rekenen, krijgt hij niet voor de vlucht betaald;
  • hij ontvangt alleen geld voor de geplande lengte van de vlucht, vertragingen zijn voor eigen rekening;
  • hij loopt ondernemersrisico doordat hij zelfstandig moet investeren in beroepskwalificaties, verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid, keuringen en trainingen;
  • hij loopt debiteurenrisico;
  • hij beschikt niet over een VAR WUO, omdat dit volgens hem geen oordeel geeft over het ondernemerschap, maar enkel een waarborg aan een opdrachtgever dat geen verhaal plaats kan vinden voor mogelijk ten onrechte niet afgedragen loonheffingen.

Opdrachtgever betwist de stelling van piloot dat sprake is van winst uit onderneming en stelt daar het volgende tegenover:

  • piloot schrijft geen facturen uit voor de geleverde prestaties;
  • er is sprake van slechts één opdrachtgever;
  • piloot treedt niet naar buiten om meerdere opdrachtgevers te verkrijgen;
  • piloot is slechts opgeleid voor één bepaald type vliegtuig, de Boeing 737-800. Eiser is dus niet breed inzetbaar;
  • piloot heeft niet aangetoond in 2011 voor een andere vliegtuigmaatschappijen dan [C] te hebben gevlogen;
  • er is geen sprake van de vereiste zelfstandigheid. De diensten worden verricht in opdracht van de vliegtuigmaatschappij. Deze bepaalt het tijdstip van de vlucht, de bestemming en koopt ook het “tijdslot” van vertrek in;
  • van piloot mag worden verwacht dat hij om veiligheidsredenen zelfstandig mag besluiten niet te vertrekken. Dat is zijn taak, maar dat zegt niks over zijn zelfstandigheid als ondernemer;
  • piloot is niet zelfstandig aansprakelijk voor het uitvoeren van de afgesproken diensten;
  • piloot stelt niet zijn eigen tarieven vast;
  • piloot bezit noch huurt zelfstandig een vliegtuig.

Bezint eer ge vindt

Wat doe je als werknemer wanneer je tijdens je werk een groot bedrag aan contant geldt vindt? Een werknemer van HVC Afval- en Grondstoffeninzameling Drechtsteden NV (HVC) dacht dit geld zelf te kunnen houden, althans onder zich te houden tot de rechtmatige eigenaar zich zou melden. De werknemer hield zich bezig met het sorteren en demonteren van elektronische apparatuur. Op een goede dag treft hij bij het demonteren van een printer een bedrag aan van maar liefst 15.100 euro. Hij doet aangifte bij de gemeente en een tijd later meldt hij dit aan HVC. Maar werknemer en HVC worden het niet eens over de vraag aan wie het geld nu toekomt. Ze achten zich beiden eigenaar van het geld. Werknemer omdat hij de eerlijke vinder is. HVC omdat zij werkgever is en werknemer het bedrag heeft gevonden bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor HVC. Het komt tot een gerechtelijke procedure. In deze procedure vordert HVC dat werknemer het geld aan haar teruggeeft omdat zij eigenaar van de printer is en dus ook eigenaar van het geld. De rechtbank oordeelt echter dat de (oorspronkelijke) eigenaar van het geld niet de bedoeling heeft gehad om afstand van het geld te doen. Het geld moet dus als een verloren zaak worden beschouwd. Hierdoor kan HVC niet de eigendom van het geld krijgen. Bovendien moet de werknemer op grond van de wet worden aangemerkt als vinder. Hij heeft het geld niet ‘namens’ werkgever gevonden. ‘Vinden’ is namelijk geen rechtshandeling die namens een ander kan worden verricht.

Het komt zelfs tot hoger beroep. Hierin stelt HVC wederom dat niet werknemer, maar zij als vinder moet worden aangemerkt. De werkzaamheden waarbij de werknemer het geld gevonden heeft, zijn namelijk in opdracht van HVC uitgevoerd. Maar volgens het gerechtshof is het enkele feit dat HVC aan werknemer werkzaamheden heeft opgedragen waardoor hij het geld ontdekte, niet voldoende om HVC als vinder aan te merken. Aan werknemer is immers geen opdracht gegeven om verloren zaken te zoeken. Het hof acht wel van belang dat het, gezien de omstandigheden, onontkoombaar was dat werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden het in de printer verborgen geld zou aantreffen. Elke willekeurige andere medewerker van HVC met dezelfde opdracht zou het geld ook in de printer hebben aangetroffen. In dit specifieke geval is naar het oordeel van het hof HVC als vinder van het geld aan te merken.

Conclusie: werknemer moet het geldt afstaan aan HVC.

(Bron: Kluwer Smartnewz)